Onze geschiedenis

In 1987 is in Hilversum de Werkgroep Landschapsbeheer Nardinclant opgericht door een vijftal betrokken natuurliefhebbers.
De oprichters kwamen vanuit de NJN (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie) en de stichting Vrijwillig Goois Natuurbeheer (VGN). Het VGN was vanaf begin jaren 80 actief betrokken bij het omvormingsbeheer in het Spanderswoud, dat door de gemeente Hilversum in gang werd gezet. De Hilversumse gemeenteraad had unaniem een nieuw beheerplan voor het Spanderswoud aanvaard. Daarin werd de productiefunctie losgelaten en gekozen voor een beheer waarin het bos zich op een meer natuurlijke wijze zou kunnen ontwikkelen. Naast het Spanderswoud was het VGN ook werkzaam in het Laegieskamp (Bussum) en de Warandabergen (Blaricum).

Waarom
In het Gooi en de Vechtstreek hebben we te maken met allerlei soorten landschappen zoals moerassen, veengebieden, polders, bossen, heidevelden, poelen etc. Elk landschapstype wordt weer op een andere manier beheerd. Soms wordt gestreefd naar behoud van een bepaald type landschap, zoals rietmoeras voor rietvogels, soms wordt er juist gestreefd naar meer dynamiek en natuurontwikkeling, zoals in monotone bosgebieden.

Vanuit de filosofie voor een kleinschalig ecologisch beheer van natuur en landschap wil Nardinclant zich onderscheiden van de traditionele beheerders. In de regel zijn het ook tamelijk arbeidsintensieve werkzaamheden die vooral handmatig worden uitgevoerd. Het werkgebied omvat het Gooi en de Vechtstreek

Een belangrijke doelstelling van Nardinclant Landschapsbeheer is om de variatie en biodiversiteit van natuurgebieden te vergroten. Een goed voorbeeld hiervan is het ecologisch maaien, waarbij door verschillende maairegimes een afwisselend beeld ontstaat. In de niet-gemaaide delen kunnen bijvoorbeeld insecten in de holle stengels overwinteren. Naast elkaar ontstaan zo korte vegetaties, bloemrijke graslanden en struweel- en zoomvegetaties.

Natuurtechnisch bosbeheer is een methode om de eentonigheid van het aangeplante bos op vrij eenvoudige wijze te doorbreken. Door het bos variabel te dunnen, bomen om te trekken en en te ringen (creƫren van staand dood hout) , worden er natuurlijke ontwikkelingen in gang gezet. Er ontstaat meer dekking voor de fauna, meer afwisseling van open en dichte plekken en de vegetatiestruktuur wordt diverser met een kruid-, een struik- en een boomlaag.